Q
terug

Kostenonderzoek pensioenfondsen: zelf doen, uitbesteden of liquideren?

Met het nieuwe pensioenstelsel in zicht worden ‘kosten per deelnemer’ steeds belangrijker. Quint onderzocht de kosten van alle fondsen over de afgelopen vijf jaar en kwam tot een aantal opmerkelijke bevindingen die van belang zijn voor het bestaansrecht van een fonds.

Uitvoeringskosten zijn van groot belang voor deelnemers van pensioenfondsen. Een heel kleine toename in de kosten heeft een enorm effect op de uitkering voor deelnemers. In het nieuwe pensioenstelsel zullen de kosten daarnaast steeds transparanter worden. In de communicatie naar deelnemers wordt het alsmaar relevanter.

Quint heeft de kosten van alle Nederlandse fondsen over de periode 2015-2019 onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd op gegevens over pensioenuitvoering van DNB over deze periode. Wat dit onderzoek uniek maakt, is dat niet alleen is gekeken naar de kosten per deelnemer, maar deze per fonds ook zijn gekoppeld aan de uitvoeringsorganisaties. En vanuit de uitvoeringsorganisaties is er vervolgens ook gekeken met welke IT-systemen zij werken. Het onderzoek borduurt voort op twee eerdere studies uit de periode 1992-2013.

Schaalgrootte verlaagt de kosten

Het totaalbeeld laat zien dat de gemiddelde uitvoeringskosten per deelnemer (over de hele periode en over alle fondsen) € 347,70 bedragen. Per fonds zijn er gemiddeld 81.000 deelnemers. Het aantal fondsen is in de onderzochte periode gedaald van 250 naar 201, waarbij het aantal deelnemers per fonds toenam, conform de consolidatieslag die al een aantal jaren aan de gang is.

Uit eerdere onderzoeken bleek al dat schaalgrootte lagere kosten met zich meebrengt. Dat blijkt nog steeds te gelden. Bij de grootste fondsen (top 10 percentiel) zien we een gemiddelde van € 97 aan kosten. Bij de kleinste fondsen (laagste 10 percentiel) is dat € 1.170. Kortom, een verschil van meer dan een factor tien.

Beroepsfondsen hebben hoogste kosten

Uit het onderzoek uit de periode 1992-2013 kwam naar voren dat de kosten met 72 procent stegen bij een verdubbeling van het aantal deelnemers. In de periode 2015-2019 was dat nog 60 procent, wat betekent dat de effectiviteit weliswaar is vergroot, maar dat daar ook nog veel winst valt te behalen. Daarbij blijft opvallend dat de verschillen tussen kleine fondsen bijzonder groot zijn.

Bij de ontwikkeling van de kosten valt verder op dat de kosten bij algemene pensioenfondsen (APF’s) zijn gedaald van gemiddeld € 300 in 2016 naar € 275 drie jaar later. De verschillen met beroepsfondsen zijn alleen maar groter geworden: zij stonden aan het begin van de onderzochte periode op € 500 gemiddeld, in 2019 was dat € 537. Bij ondernemingspensioenfondsen (OPF) zijn de kosten door de jaren heen gedaald, zij het niet veel: van gemiddeld € 418 naar net iets onder de € 400. Wat hier opvalt, is dat er grote onderlinge verschillen zijn tussen fondsen die ongeveer dezelfde omvang hebben.

Kostenvoordelen van ZAF’s

Quint heeft ook onderzocht hoe het zit met de kosten bij zelfadministrerende fondsen (ZAF’s). De kosten bij ZAF’s liggen lager dan bij fondsen die uitbesteden. Gemiddeld scheelt het 26 procent in de kosten. Bij de meeste ZAF’s maakt onder andere een relatief eenvoudige governance een daling van de kosten mogelijk. Een ZAF kan bovendien directer gebruikmaken van technologische mogelijkheden. Daar staat tegenover dat zij wel kundige ‘regie mensen’ aan boord moeten hebben.

Tot slot zijn de gemiddelde kosten per administratiesysteem bekeken. Uit de resultaten blijkt dat de fondsen die bepaalde administratiesystemen gebruiken soms vijf keer zo hoge kosten hebben als fondsen die met andere systemen werken. Dat wil niet zeggen dat het ene systeem altijd hoge kosten met zich meebrengt en het andere lage. De uitvoeringsorganisatie speelt hier een belangrijke rol bij.

Kosten zeggen niet alles

We kunnen concluderen dat de kosten tussen verschillende pensioenfondsen onderling sterk verschillen. ZAF’s hebben duidelijk lagere kosten dan fondsen die uitbesteden en beroepsfondsen hebben de hoogste kosten per deelnemer. De opbouw van de kosten worden nog verder onderzocht. De belangrijkste kostencomponenten bestaan in ieder geval uit de ondersteuning van het bestuur, de factuur van de uitvoerder danwel de factuur van de softwareleverancier(s).

Het nieuwe pensioenstelsel is misschien dé aanleiding om gezamenlijk opnieuw na te denken over het bestaansrecht van een fonds en hoe het met de kosten geregeld is, maar kosten zijn per definitie van belang voor elke bestuursagenda. Kosten moeten altijd gerelateerd blijven aan de gewenste en geleverde dienstverlening. Zo zijn klantvriendelijkheid en het behoud van de eigenheid van een fonds het nodige waard en is schaalgrootte alléén zeker niet zaligmakend.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met arno.ijmker@quintgroup.com