Quint Research

Pensioenfondsen en hun uitvoeringskosten

Een kwantitatieve kijk op uitvoeringskosten in de pensioenfondsen sector

De onderstaande plots zijn interactief voor de gebruiker. De gebruiker kan filteren op periode, type fonds, naam van het pensioenfonds en uitbestedingsorganisatie. Door het klikken op de pijltjes rechtsonder van elk figuur kunnen de plots worden weergegeven op volle schermgrootte. Het klikken op de knoppen ‘Klik hier voor totale aantal deelnemers’ of ‘Klik hier voor actieve en gepensioneerden deelnemers’ laat gebruikers wisselen tussen deze twee benaderingen van uitvoeringskosten per deelnemer (of gebruik de knoppen onderaan de grafiek). Wij adviseren deze plots te bekijken op een desktop / laptop.

Verantwoording

De gegevens gebruikt voor dit onderzoek zijn afkomstig uit de jaarstaten van De Nederlandsche Bank en een interne data set van Quint. Pensioenfondsen met uitvoeringskosten hoger dan € 1.119 per deelnemer zijn buiten beschouwing gelaten, aangezien deze observaties niet representatief worden geacht. Een oorzaak hiervan kan liggen bij het foutief berekenen van de uitvoeringskosten. Alleen voor het figuur Uitvoeringskosten per deelnemer en grootteklasse (2015-2019) zijn deze kosten wel meegenomen voor vergelijkingsdoeleinden met eerder wetenschappelijk onderzoek.

Plot 1 Overzicht pensioenfondsen sector

In dit plot wordt de verhouding van het aantal deelnemers in de Nederlandse pensioenfondsen sector weergegeven. Van het figuur linksonder kan worden geconcludeerd dat het aantal pensioenfondsen vanaf 2015 elk jaar afneemt door fusies, pensioenfondsen die hun activiteiten naar het buitenland verplaatsen en opzeggingen van pensioenfondsen. Deze afname is ingezet vanaf het jaar 2000, toen er nog 743 pensioenfondsen waren. De daling van het aantal pensioenfondsen leidt tot een toename van de deelnemers per pensioenfonds. Deze toename kan ook worden verklaard door een toenemende beroepsbevolking en hogere AOW leeftijd. Rechtsonder valt te zien dat het aantal OPFs in de onderzochte tijdsperiode afneemt (van 179 (71,6%) in 2015 tot 130 (61,3%) in 2019). Verder is de opmars van het aantal individuele pensioenfondsen dat is toegetreden tot een APF duidelijk te zien vanaf de introductie van dit nieuwe fonds type in 2016. Deze APFs herbergen slechts 0.64% van alle deelnemers in 2019, waaruit verder blijkt dat de verplichte BPFs veruit de meeste deelnemers hebben en dit in de onderzochte tijdsperiode stabiel blijft rond de 87-88%.

Plot 2 Uitvoeringskosten per deelnemer en grootteklasse

Dit figuur laat de uitvoeringskosten per deelnemer zien voor verschillende grootteklassen op basis van het aantal deelnemers in de periode 2015 tot 2019. De pensioenfondsen zijn ingedeeld op basis van grootteklasse, zodat de kleinste 10% pensioenfondsen in klasse 1 zit en de grootste 10% in klasse 10. Duidelijk is te zien hoe kosten afnemen bij grotere pensioenfondsen, evenals de variatie binnen de grootteklasse zelf. De eerste stelling duidt op het bestaan van schaalvoordelen, terwijl de tweede stelling efficiëntie verschillen impliceert die onafhankelijk zijn van de omvang van de pensioenfondsen. Dit figuur is vergelijkbaar voor eerdere tijdsperiodes vanaf 1992, wat suggereert dat er al bijna 30 jaar onbenutte schaalvoordelen binnen de Nederlandse pensioenfondsen sector bestaan. Verder is het opmerkelijk dat de mediaan voor de kleinste 10% pensioenfondsen (978) tien keer zo groot is als voor de grootste 10% pensioenfondsen (97). Ook is de spreiding van uitvoeringskosten per deelnemer voor kleinere pensioenfondsen veel groter dan voor grotere pensioenfondsen. Hieruit wordt geconcludeerd dat met name kleine pensioenfondsen kunnen profiteren van schaalvoordelen.

Plot 3 Type pensioenfondsen en uitbestedingskosten

In dit plot worden de uitvoeringskosten van de verschillende typen pensioenfondsen met elkaar vergeleken. Het figuur linksonder laat duidelijk groeperingen, ook wel clusters genoemd, zien van de verschillende typen pensioenfondsen. De individuele APFs zijn kleine pensioenfondsen die lage kosten per deelnemers rapporteert. Uit ons onderzoek blijkt dat dit fondstype significant de de laagste totale uitvoeringskosten rapporteert. Verder valt op dat voor OPFs een enorme spreiding is voor zowel kosten per deelnemer als het aantal deelnemers, wat te verklaren valt door de verschillende achtergronden van dit fondstype. Een ander cluster wat zich onderscheidt, vormen de BerPFs, die significant de hoogste totale uitvoeringskosten maken. Dit komt door de gefragmenteerde samenstelling van de deelnemers en hun salaris achtergrond. De deelnemers verwachten hierdoor een betere service wat betreft hun pensioenuitvoering. Verplichte en niet verplichte BPFs lijken in hetzelfde cluster te vallen. Verplichte BPFs zijn echter groter qua omvang en rapporteren minstens 20% significant lagere totale uitvoeringskosten dan niet verplichte BPFs. Verplichte BPFs hebben ook minstens 5% lagere totale uitvoeringskosten dan OPFs, wat samenhangt met een vereenvoudigde pensioenuitvoering.

Plot 4 Uitbesteding 2019

In 2019 waren er 28 (13.7%) pensioenfondsen die hun eigen pensioenadministratie onderhielden en 177 (86.3%) pensioenfondsen die de pensioenadministratie uitbesteedden. Uit de resultaten blijkt dat zelf administrerende fondsen (ZAF) 26% lagere uitvoeringskosten kosten hebben dan uitbestedende pensioenfondsen. Dit kan worden verklaard door onderrapportage van de uitvoeringskosten of kostenefficiëntie van de ZAFs. ZAFs kunnen gebruik maken van de faciliteiten van de onderneming waarvoor de administratie wordt uitgevoerd (in geval van OPF). Denk hierbij aan personeel, huisvesting en een al bestaande personeelsadministratie.

Plot 5 Uitbestedingsorganisatie en administratiesystemen

In de bovenstaande figuren zijn de individuele pensioenfondsen uit 2019 weergegeven en gelabeld met met hun uitbestedingsorganisatie en administratiesysteem, respectievelijk links en rechts. Uit deze figuren valt te concluderen dat uitvoeringskosten per deelnemer kunnen variëren binnen dezelfde uitbestedingsorganisatie en voor hetzelfde administratiesysteem. Dit blijkt ook uit de uitkomsten van ons onderzoek, waarin de totale uitvoeringskosten niet significant waren toe te schrijven aan een van deze twee componenten.

Plot 6 Gemiddelde kosten per deelnemer voor ieder administratiesysteem (2019)

Als er gekeken wordt naar de gemiddelde uitvoeringskosten per deelnemer voor de administratiesystemen blijkt er een groot verschil te zijn voor de verschillende administratiesystemen. De vier administratiesystemen met gemiddeld de hoogste kosten rapporteren ongeveer vijf keer zulke hoge kosten dan de drie administratiesystemen met gemiddeld de laagste kosten. De gemiddelde uitvoeringskosten zijn berekend door de gerapporteerde kosten van de pensioenfondsen per administratiesysteem op te tellen en hierna te delen door het aantal pensioenfondsen aangesloten bij het specifieke administratiesysteem. De namen van de administratiesystemen zijn binnen Quint bekend.

Contact met Quint

Wij komen graag met u in contact indien u meer informatie wenst te ontvangen over dit onderwerp.

Pensioenfondsen en hun uitvoeringskosten
Lees ons Privacy Beleid om te begrijpen hoe we uw gegevens verzamelen en beschermen.

Meer van Quint

  • White Paper – 7 aspecten om Cloud Readiness te beoordelen

    Lees meer
  • Succes met de Cloud bij ABN AMRO Clearing Bank

    Lees meer
  • Succes met Informatiebeveiliging bij SPF Beheer

    Lees meer
  • IT Outsourcing onderzoek ‘Tevredenheid over clouddienstverleners is groot’

    Lees meer